Arts & Auto-enquête over alternatieve geneeswijzen

Groot en gevarieerd was de respons op de Arts & Auto-enquête over alternatieve geneeswijzen, die u afgelopen februari op deze website kon invullen. Hier vindt u een verslag van de resultaten en de voorzichtige conclusies.

Tekst Paul van der Meer
Afgelopen februari kon u via de website van Arts & Auto uitgebreid laten weten wat uw visie op alternatieve geneeswijzen is. Hoezeer dit onderwerp onder medisch en paramedisch professionals leeft, blijkt uit de kwantiteit en de diepgang van de reacties die wij ontvingen.

 De enquête is beantwoord door niet minder dan 4135 personen, die hierbij uitvoerig gebruikmaakten van de open vragen om hun antwoorden toe te lichten. Hierdoor kunnen wij een goed beeld schetsen van de mening van VvAA leden over alternatieve geneeswijzen. Bij een aantal vragen waren wij benieuwd of de antwoorden van specifiek de groep huisartsen en medisch specialisten gemiddeld afweken van die van de totale groep respondenten, en ook hierover wordt u in dit artikel geïnformeerd.

Welke alternatieve geneeswijzen kent u?

Allereerst legden wij elf varianten voor van benaderingen die vaak onder ‘alternatieve geneeswijzen’ worden geschaard en vroegen of u die kent of niet. Bijna alle respondenten kennen acupunctuur en homeopathie (beide 99%), het minst bekend zijn Bach-bloesemtherapie en ayurveda (beide 45%).

Wat rekent u zelf tot de alternatieve geneeswijzen, en wat niet?
Van alle elf benaderingen vroegen wij vervolgens of u die zelf wel of niet zou omschrijven als ‘alternatieve geneeswijze’. Hierbij scoren homeopathie en acupunctuur het hoogst (met 91% en 84%), en osteopathie en chiropraxie het laagst (met 73% en 62%).

Wat vindt u van alternatieve geneeswijzen?
Werken alternatieve geneeswijzen? was de strekking van een volgende vraag, waarbij respondenten konden kiezen uit zes verschillende stellingen. 5% van de respondenten vindt zonder meer dat alternatieve geneeswijzen niet werken, en 9% meent dat ze zelfs schadelijk kunnen zijn. 33% meent dat als alternatieve geneeswijzen al iets doen, dit op psychisch niveau gebeurt, via een placebo-effect. 18% vindt dat ze wel werken bij sommige aandoeningen, maar dan minder goed dan de reguliere geneeswijze. 33% vindt dat ze bij sommige aandoeningen even goed werken als de reguliere geneeswijzen, en 2% meent dat dit bij alle aandoeningen het geval is.

Kijken we alleen naar de groep van medisch specialisten en huisartsen, dan zien we een gemiddeld sceptischer visie. Van hen vindt 8% zonder meer dat alternatieve geneeswijzen niet werken, en 14% dat ze zelfs schadelijk kunnen zijn. 43% vindt dat ze alleen via het placebo-effect werken.

Meer concreet presenteerden we de volgende stelling: Alternatieve geneeswijzen zijn een vorm van placebotherapie. Bijna de helft van alle respondenten (47%) is het daarmee eens, een derde (33%) is het ermee oneens en de rest neemt een middenpositie in. Onder medisch specialisten en huisartsen is 60% het met deze stelling eens en 21% oneens. 

Wat is de toegevoegde waarde?
Vindt u dat alternatieve geneeswijzen toegevoegde waarde hebben in vergelijking met  reguliere geneeskunde? was een volgende vraag. Een meerderheid (58%) vindt van wel (specialisten en huisartsen: 55%), en 42% vindt van niet. Op de vraag naar een verklaring voor die toegevoegde waarde, wordt een aantal factoren door meerdere respondenten genoemd. Alternatieve geneeswijzen hebben ‘méér aandacht voor de patiënt’, en gaan uit van een ‘holistische aanpak’, waarbij ‘de patiënt centraal’ staat. Een fysiotherapeut licht toe: “Er wordt gekeken met een holistische visie en niet alleen gefocust op het probleem. Het komt altijd ergens vandaan dat iemand met een probleem rondloopt, of dit nou op fysiek, mentaal, psychisch of spiritueel gebied is. Je kunt die delen niet uit elkaar trekken.”

Een andere veelgehoord argument voor de stelling dat alternatieve geneeswijzen toegevoegde waarde hebben, is dat die méér aandacht hebben voor preventie, terwijl de reguliere geneeskunde meer gericht is op genezen. Maar ook het placebo-effect wordt in dit verband door veel respondenten genoemd.

Overigens plaatsen veel respondenten bij deze vraag de opmerking dat de term ‘alternatief’ onjuist is, omdat alternatieve geneeswijzen juist ‘toegevoegde’ waarden hebben. Zij vinden dat daarom beter gesproken kan worden van bijvoorbeeld ‘additieve’ of ‘complementaire’ geneeswijzen.

Worden er te hoge verwachtingen gewekt?
Tweederde van de respondenten (67%) vindt wel dat de verwachtingen die worden gewekt door de alternatieve-geneeswijzenindustrie zelf, te hooggespannen zijn en een verkeerd beeld geven van de genezingseffecten.

Maar moeten daarom sommige van die producten of behandelingen ook verboden worden? Ja, vindt 44%, tegen 23% die geen van die producten of behandelingen wil verbieden, terwijl 33% een tussenpositie inneemt. Onder huisartsen en medisch specialisten vindt 53% dat sommige producten verboden moeten worden.

Op de vraag wélke toepassingen dan verboden moeten worden, noemt een deel van de respondenten één of sommige van de elf in dit onderzoek opgenomen varianten, een ander deel wil álles verbieden. Een apotheker schrijft: “Alle hier genoemde methoden zouden verboden moeten worden, het zijn namelijk geen ‘genees’-wijzen.”

Verder worden toepassingen genoemd als voodoo, kruidentherapieën, healing, Jomanda-achtige genezers, iriscopie, kleurentherapie en magnetisme. En verder alles wat schadelijk of gevaarlijk kan zijn, alles waarbij geen gedegen onderzoek is gedaan, gebedsgenezers en alles wat ingestraald is, toepassingen die de reguliere geneeswijzen hinderen, alles dat kanker zegt te kunnen genezen, zware-metalenhoudende medicijnen, Sint Janskruid, en het kraken van huilbabies.

Past u het toe in uw eigen praktijk?
Precies 20% van de respondenten past één of meerdere alternatieve geneeswijzen toe in de eigen praktijk. Dit in de zin van ‘alternatieve’ behandelingen, en/of het voorschrijven of verkopen van alternatieve producten en middelen. We zien dit het meest onder fysiotherapeuten en apothekers (beide 34%), gevolgd door dierenartsen (30%) en overige (para) medische beroepen (32%). En we zien dit het minst bij artsen in opleiding (4%) en medisch specialisten (8%). Bij huisartsen en tandartsen is dit percentage respectievelijk 22 en 13.

Zij die aangeven zelf alternatieve geneeswijzen toe te passen, noemen het meest: homeopathie, acupunctuur, en fytotherapie/kruidengeneeskunde. We vroegen diezelfde groep ook naar hun eigen ervaringen met dit toepassen van alternatieve geneeswijzen. In ongeveer 85% van de reacties komen woorden voor als: (zeer) goed, positief, werkzaam, uitstekend, gunstig, zonder bijwerkingen, effectief, prima, en goede resultaten. Ongeveer 15% geeft aan wisselende resultaten te boeken. 

Anders dan sommigen misschien zouden verwachten, zijn het niet primair jongere zorgprofessionals die in hun praktijk alternatieve geneeswijzen toepassen. De gemiddelde leeftijd van zij die dit doen, is met 51 jaar hoger dan die van respondenten die dit niet doen (47 jaar).

Aandacht in de opleiding
In de (reguliere) opleidingen van zorgprofessionals blijkt weinig tot geen aandacht te zijn besteed aan alternatieve geneeswijzen. Van alle respondenten heeft 46% daarover geen enkele informatie gekregen, 50% kreeg enige informatie en 4% veel informatie. Vooral oudere respondenten geven aan weinig tot geen informatie te hebben gekregen.

Maar wat vindt u dat toekomstige opleidingsprogramma’s op dit punt zouden moeten bieden? Van alle respondenten vindt 40% dat méér aandacht besteed moet worden aan alternatieve geneeswijzen, 10% wil juist minder aandacht en 7% vindt dat hier geen enkele aandacht aan besteed moet worden. Maar de grootste groep (43%) is tevreden met de aandacht die hier nu aan wordt besteed.

Wat moet bij de opleiding het uitgangspunt zijn? De grootste groep respondenten (30%) vindt dat er tijdens de reguliere opleiding wel aandacht voor alternatieve geneeswijzen moet zijn, maar niet té veel. En 26% vindt dat die in voldoende mate onderwezen moeten worden, opdat iedere regulier afgestudeerde de basisprincipes kent. 22% vindt dat de studie een reëel beeld moet geven, zodat studenten een gefundeerde keuze kunnen maken. En ook 22% vindt ieder uur dat hieraan wordt besteed, verloren tijd. Zij die méér aandacht wenselijk vinden, noemen hierbij vooral acupunctuur, homeopathie en chiropraxie; het minst genoemd worden reiki, regressietherapie en Bach-bloesemtherapie.

Verenigingen ‘voor’ en ‘tegen’
Van alle respondenten blijkt 12% aangesloten bij een vereniging van alternatieve-beroepsbeoefenaars. De hierbij meest genoemde verenigingen zijn:
  • ABB Artsenvereniging voor Biofysische geneeskunde en Bio-informatie therapie
  • ABNG-2000 Artsenvereniging voor Biologische en Natuurlijke Geneeskunde
  • MBOG Maatschappij ter Bevordering van de Orthomoleculaire Geneeskunde
  • NAAV Nederlandse Artsen Acupunctuur Vereniging
  • NVA Nederlandse Vereniging voor Acupunctuur
  • NVAA Nederlandse Vereniging voor Antroposofische Artsen
  • NVO Nederlandse Vereniging voor Osteopathie
  • NVOMG Nederlandse Vereniging OrthoManuele Geneeskunde
  • SNVA Samenwerkende Nederlandse Veterinaire Acupuncturisten
  • VHAN Vereniging van Homeopathische Artsen in Nederland
Van alle respondenten weet 92% van het bestaan van de Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtdK), en 6% is daadwerkelijk lid van deze vereniging. Het hoogste percentage aangeslotenen (14%) vinden we bij de apothekers, het laagste (2%) bij de fysiotherapeuten. Van zowel de medisch specialisten als de huisartsen is 8% aangesloten. 

Gevraagd of men de uitgangspunten van de VtdK onderschrijft, antwoordt 21% ‘ja, volledig’, en 30% ‘ja’. Nog eens 29% antwoordt ‘deels wel en deels niet’, en 20% antwoordt ‘nee’. Bij huisartsen en specialisten zijn de antwoorden: 29% ‘ja, volledig’, en 33% ‘ja’.


Zij die het (volledig) eens zijn met de VtdK, geven hierbij argumenten als: “Behandelingen moeten volgens de regels getoetst worden. Niet werkzame middelen geven is oplichting.” “Ik ben voorstander van een totale ontmaskering van de alternatieve geneeswijzen.” “Alternatieve geneeswijzen werken niet, anders waren ze allang opgenomen binnen de reguliere geneeskunde.”


Veel genoemd wordt het criterium van toetsbaarheid. “De reguliere geneeskunde stelt zich toetsbaar op en wordt daar ook op afgerekend. De alternatieve toepassingen zijn – voor zover mij bekend – niet toetsbaar”, schrijft een apotheker. En een arts in opleiding schrijft: “Het probleem is dat iemand die níet medisch onderlegd is, niet weet wat hij/zij een patiënt onthoudt uit het reguliere circuit en dat kan weleens heel gevaarlijk zijn.”

Zij die het niet eens zijn met de uitgangspunten van de VtdK, wijzen vooral op wat zij zien als de kortzichtigheden en het gesloten karakter van de vereniging. Een huisarts: “Het standpunt van de VtdK is te kortzichtig en beperkt. Het zou beter zijn als regulier en alternatief náást elkaar werken en niet tegen elkaar. Respect voor elkaars ziens- en werkwijze is een eerste stap, en er is absoluut geen discussie mogelijk met deze club.”

Maar ook inhoudelijke argumenten worden genoemd om duidelijk te maken waarom men het niet eens is met de VtdK. Een medisch specialist: “Heel veel reguliere geneeskunde is ook niet evidence based, en dát wordt dan weer niet kwakzalverij genoemd.”

Welke alternatieve geneeswijzen hebben daadwerkelijk effect?
Wij stelden ook de volgende vraag: Wilt u hieronder aangeven in hoeverre onderstaande behandelmethoden volgens u daadwerkelijk effect sorteren? U kunt dit doen met een cijfer van 0 tot 100, waarbij 0 betekent dat de behandelmethode geen enkel effect sorteert en 100 dat deze methode in 100% van de gevallen het gewenste effect sorteert. Als referentie is hierbij een aantal behandelmethoden opgenomen uit de reguliere geneeskunde.

Over deze vraag maakte ongeveer 1,5% van alle respondenten een opmerking, en ongeveer 1% gaf expliciet aan dat ze deze vraag niet konden beantwoorden. Een huisarts schreef: “Ik kan en wil vraag 21 niet invullen omdat er niet bij staat voor welke kwaal de behandeling geldt.”

Uit de antwoorden van de respondenten die deze vraag wél invulden, krijgen de methoden uit de reguliere geneeskunde die als referentie waren opgenomen de hoogste score: alle boven de 60%. Alle alternatieve geneeswijzen scoren een effect van 36% of lager.

We zagen eerder dat 20% van de respondenten alternatieve geneeswijzen toepast in hun eigen praktijk. Deze groep geeft een significant hoger effectpercentage bij de alternatieve geneeswijzen dan zij die zelf geen alternatieve geneeswijzen toepassen. Deze verschillen zijn groot, tot een factor twee à drie. De verschillen tussen beide groepen bij de beoordeelde effectgroottes van de als referentie opgenomen reguliere geneeswijzen, zijn daarentegen niet significant.

Doorverwijzen naar de homeopaat?
Aan alléén huisartsen en medisch specialisten vroegen wij: Heeft u zelf weleens een patiënt die door u uitbehandeld en/of uit gediagnosticeerd is, actief doorverwezen naar het alternatieve circuit, of heeft u suggesties gegeven op dat gebied? Het merendeel (65%) antwoordt dit nog nooit te hebben gedaan, en bij 25% is dit ‘weleens’ voorgekomen. Bij 10% gebeurde dit ‘meerdere keren’, gemiddeld meer dan 50 keer.

Doorverwijzen gaat op verschillende manieren. In het ene geval geeft de arts een telefoonnummer, in andere gevallen betreft het een normale doorverwijzing naar een gespecialiseerde collega, en in weer ander gevallen doet de arts de alternatieve behandeling zelf. Over het algemeen is men tevreden over de resultaten.

En als een patiënt er zelf om vraagt?
Hoe gaat u om met patiënten die zelf alternatieve geneeswijzen willen aanwenden of uitproberen? Slechts 3% van alle respondenten zou dit dan ten sterkste afraden. Iets meer dan de helft (52%) zou zeggen dat het niet zijn/haar vakgebied is, maar dat dit de keuze van de patiënt zelf is, en nog eens 23% zou de patiënt waarschuwen dat er veel kaf tussen het koren zit. De rest helpt actief: 15% geeft telefoonnummers, 7% schrijft actief alternatieve geneeswijzen voor. Bij medisch specialisten en huisartsen wijkt dit niet veel af: 4% zou het ten sterkste afraden, 9% geeft telefoonnummers en 5% schrijft actief voor.

Gebruikt ú alternatieve geneeswijzen?
Van alle respondenten maakt 40% zelf privé weleens gebruik van alternatieve geneeswijzen (bij medisch specialisten en huisartsen 24%). Alle elf in dit onderzoek genoemde toepassingen worden genoemd. Het meest: homeopathie, acupunctuur en orthomoleculaire geneeskunde. Daarbuiten worden ook nog genoemd: antroposofische geneeskunst, rebalancing, probiotica, aromatherapie, shiatsu, (Chinese) massage, bioresonantietherapie, haptotherapie, bio-informatietherapie, haptonomie, neuraal therapie, cranio-sacraaltherapie, mesotherapie, manuele therapie, het gebruik van een magnetiseur. Bij 33% gebruiken ook gezinsleden dit soort middelen en methoden. Over het algemeen is men tevreden over het resultaat.

En als u zelf uitbehandeld en/of uitgediagnosticeerd bent…
… zou u dan gebruikmaken van alternatieve geneeswijzen? Nooit, zegt 29% van alle respondenten, en 42% twijfelt. 19% zal in die situatie wél gebruikmaken van alternatieve geneeswijzen, en de resterende 10% zegt dat ze dit ook nu doen en dit in die situatie ook zullen doen. Bij medisch specialisten en huisartsen ligt het aandeel ‘nooit’-zeggers aanmerkelijk hoger, namelijk op 46%. 39% twijfelt.


Wat moeten zorgverzekeraars vergoeden?
42% van alle respondenten vindt dat zorgverzekeraars het gebruik van sommige typen alternatieve geneeswijzen moeten vergoeden, en precies evenveel vindt juist van niet. De rest neemt een middenpositie in. Onder huisartsen en specialisten vindt 60% dat het gebruik van sommige alternatieve geneeswijzen niet moet worden vergoed.

De toepassingen die het meest worden genoemd als in aanmerking komend voor vergoeding zijn, in volgorde: acupunctuur, homeopathie, osteopathie en chiropraxie. De overige zeven van de elf in dit onderzoek opgenomen toepassingen worden in mindere mate genoemd. Buiten die elf worden ook nog genoemd, door een enkele respondent: mesotherapie, yoga, neurofeedback, haptonomie, acupressuur, manuele therapie, bio-informatietherapie, antroposofi sche geneeskunde, neuraaltherapie en aura healing. Een klein deel van alle respondenten wil dat alle toepassingen uit de alternatieve geneeswijzen vergoed worden.

En wat vinden de studenten?
Wat studenten vinden over alternatieve geneeswijzen verschilt nauwelijks van de mening van afgestudeerde zorgprofessionals. Studenten blijken wat minder op de hoogte van het bestaan van enkele van de in dit onderzoek opgenomen toepassingen, namelijk regressietherapie of reïncarnatietherapie, orthomoleculaire geneeskunde en Bach-bloesemtherapie.

En studenten zijn minder vertrouwd met de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Van alle afgestudeerde/werkzame respondenten kent 92% de VtdK, binnen de studentengroep is dit 67%. En terwijl 6% van de werkende respondenten bij de VtdK is aangesloten, is dit bij studenten 2%.

Uw mening over alternatief praktiserende collega’s
Aan de 80% respondenten die zelf géén alternatieve geneeswijzen praktiseren of alternatieve middelen verkopen, vroegen wij wat ze vinden van regulier opgeleide collega’s die dit wél doen. De grootste groep (45%) vindt dit geen probleem en geeft aan dat iedereen dat voor zichzelf moet weten. Iets meer dan een derde (36%)vindt dit ongepast, en zegt dat deze twee werelden gescheiden moeten blijven. 2% heeft hier geen mening over, en 16% heeft een andere mening. Maar ook binnen die laatste groep staan verreweg de meesten positief tegenover collega’s die wél alternatieve geneeswijzen praktiseren.

In opmerkingen die bij deze vraag gemaakt worden, wordt gezegd dat de patiënt moet weten waar de behandelaar voor staat, maar wel zélf moet kunnen kiezen. Anderen benadrukken het aanvullende en complementaire karakter, en het belang van het niet laten prevaleren van alternatieve toepassingen boven de reguliere. Een huisarts schrijft: “Zolang de reguliere geneeskunde niet uit het oog verloren wordt en de patiënt er positieve effecten van ondervindt, is een ieder vrij alternatieve geneeswijzen toe te passen.”

Gevraagd naar de verkoop door apothekers van ‘alternatieve producten’ (zoals homeopathische), blijkt 25% van de respondenten van mening dat apothekers dit niet zouden mogen doen, en twijfelt 15% hierover. 44% heeft er geen probleem mee, en 17% vindt het juist goed dat apothekers ook alternatieve producten in de schappen hebben staan.

Tot slot: wat brengt de toekomst?
Wij vroegen ook: Zal het gebruik van alternatieve geneeswijzen in de toekomst af- of juist toenemen? De meerderheid van de respondenten (53%) verwacht dat het gebruik gaat toenemen, en 39% verwacht geen veranderingen. Slechts 8% verwacht een afname.

Over deze enquête
Het online onderzoek voor deze enquête werd gehouden in week 5, 6 en 7 van dit jaar, onder lezers van Arts & Auto c.q. leden van VvAA. In totaal vulden 4135 respondenten, van wie 59% man, de vragenlijst helemaal in. De gemiddelde leeftijd is 48 jaar, 14% is nog student.

De resultaten van de respondenten zijn teruggewogen naar de bestaande verdeling tussen beroepsgroepen binnen de huidige ledenkring van VvAA. Gezien ook de (hoge) absolute aantallen respondenten, komt hieruit een representatief beeld naar voren van de visie op alternatieve geneeswijzen onder VvAA leden, maar kunnen ook per afzonderlijke beroepsgroep representatieve resultaten worden weergegeven. Zo is bij een aantal vragen de respons door de groep van ‘huisartsen en medisch specialisten’ afzonderlijk vermeld.

De steekproef zoals die na terugweging resulteert, bestaat uit: apothekers (2%), fysiotherapeuten (11%), medisch specialisten (21%), huisartsen (15%), tandartsen (11%), dierenartsen (4%), artsen in opleiding (11%) en andere (para)medische beroepen (24%). Tot die laatstgenoemde categorie behoren onder meer verloskundigen, psychotherapeuten, mondhygiënisten, bedrijfsartsen, artsen voor homeopathie en logopedisten. 19% van de respondenten heeft een hbo-opleiding, 71% heeft wetenschappelijk onderwijs gevolgd en 10% is gepromoveerd.

Het onderzoek is uitgevoerd, en dit artikel is geschreven, door Paul van der Meer, psycholoog en directeur/eigenaar van onderzoeksbureau TeraKnowledge. 

Onderzoeksverantwoording
De online Arts & Auto enquête over alternatieve geneeswijzen van februari 2010 is door 4.135 respondenten beantwoord. De leden zijn op drie manieren benaderd om mee te doen aan de enquête. In het februarinummer van het Arts & Auto magazine is een oproep geplaatst en in dezelfde periode (gedurende het februarinummer) heeft een oproep gestaan op de website van Arts & Auto. Daarbuiten is een oproep verstuurd via de digitale nieuwsbrief van de VvAA. De nieuwsbrief is verstuurd naar circa 27.000 e-mailadressen. 


Bron: Arts & Auto