Devil's claw kruid tegen pijn 18/06/2011
De Cochrane groep boog zich ook over het kruid duivelsklauw (in het engels: Devil's claw). Dit kruid wordt al lang binnen de natuurgeneeskunde ingezet voor pijnstilling. Uit de Cochrane analyse bleek dat de pijnstilling van Devil's claw vergelijkbaar was met moderne pijnstillende middelen van de nieuwste generatie, de zogenaamde COX-II remmers. Ook onderzocht de Cochrane groep nog enkele andere alternatieve middelen. Ook daar werd een positief effect van gevonden. Cayenne peper en een homeopathische gel bleken ook de pijn meer te verminderen dan placebo. Citaat: Devil's Claw seemed to reduce pain more than placebo; a standardized daily dose of 60 mg reduced pain about the same as a daily dose of 12.5 mg of Vioxx. While Cayenne was tested in plaster form and reduced pain more than placebo and about the same as the homeopathic gel Spiroflor SLR. Adverse effects were reported, but appeared to be primarily confined to mild, transient gastrointestinal complaints.[1][2] Duivelsklauw heeft effect op de leverenzymen (cytochroom P450) en vertraagt de werking van het enzym. Daarom is het van belang om het gebruik van andere medicatie te evalueren die via deze enzymen worden afgebroken.[3] Meer over dit kruid is te lezen in de volgende monografie. Vanwege een positieve uitspraak van de cochranegroep en de veiligheid van het kruid, wanneer het kruid alleen wordt gebruikt indien er geen interacties zijn, krijgt devil's claw een betrouwbare beoordeling, vanwege de wetenschappelijk onderbouwing, van het IOCOB. Referenties [1]: Gagnier JJ, van Tulder M, Berman B, Bombardier C. | Herbal medicine for low back pain. | Cochrane Database Syst Rev. | 2006 Apr 19;(2):CD004504. [2]: Gagnier JJ, van Tulder MW, Berman B, Bombardier C. | Herbal medicine for low back pain: a Cochrane review. | Spine (Phila Pa 1976). | 2007 Jan 1;32(1):82-92. [3]: Unger M, Frank A. | Simultaneous determination of the inhibitory potency of herbal extracts on the activity of six major cytochrome P450 enzymes using liquid chromatography/mass spectrometry and automated online extraction. | Rapid Commun Mass Spectrom. | 2004;18(19):2273-81. Bron: IOCOB, 17 juni 2011 Add Comment Mind-body benaderingen blijken uit vele klinische studies duidelijk positieve effecten te hebben op de klachten bij migraine en hoofdpijnen. Ook in meta-analyses is dit nogmaals benadrukt. Mind-body benaderingen zijn dus zinvol bij hoofdpijn, waaronder migraine. De patient mag bij deze benaderingen zelf het heft in handen nemen! In 2007 besteedde een Amerikaans tijdschrift voor huisartsen ruime aandacht aan de zinnigheid van een aantal mind-body benaderingen voor hoofdpijn en migraine. In de samenvatting al meteen een duidelijke boodschap: meta-analyses van gerandomiseerde gecontroleerde studies laten zien dat het gebruik van mind-body therapieën, alleen of in combinatie, significant de klachten doet verminderen bij migraine, spanningshoofdpijn en gemixte hoofdpijnen.[1] Het artikel begint met: Mind-body medicine focust op interacties met het brein, de geest, het lichaam en gedrag, en op mechanismen waarin emotionele, mentale, sociale, spirituele en gedragsfactoren de gezondheid kunnen beïnvloeden. Mind-body medicine legt de nadruk op respect en stimuleert de capaciteit van een persoon tot zelfkennis en zelfzorg. Bij de mind-body benaderingen wordt de nadruk gelegd op de patiënt die zijn eigen coach leert te zijn, en die door middel van oefeningen gaat inzien hoe in zijn leven emotionele, mentale, spirituele en gedragsfactoren zijn gezondheid beïnvloeden. Om daarna duidelijk actie te ondernemen. Mindfulness is daarvan een mooi voorbeeld. [2] In 2008 is er weer een mooi overzicht verschenen van mind-body technieken in de neurologie, waaruit duidelijk wordt dat er veel onderzoek is gedaan naar mind-body benaderingen.[3] Gebaseerd op 39 klinische gecontroleerde studies wordt in de Amerikaanse richtlijnen voor migraine (US Headache Consortium treatment guidelines) een aantal mind-body technieken geadviseerd, zoals relaxatietechnieken, biofeedback in combinatie met ontspanningstraining, EMG biofeedback en cognitieve gedragstherapie. Mindfulness, ofwel meditatie, is de rode draad in al deze technieken. Volledige aandacht in het hier en nu. Bron: IOCOB, Voeding, brein en ritme blijft actueel 12/12/2010
Psychiater Rogier Hoenders: 'Het zelfhelend vermogen vergt balans in interne ritmes' Gezondheid gaat om méér dan fysiologie. Psychiater Rogier Hoenders, een van de sprekers op het Folia Orthica symposium Voeding, brein en ritme: "Wij werken in de Integrale Psychiatrie met het zelfhelend vermogen dat ieder mens in zich draagt. Het balanceren van de interne ritmes, zoals de afwisseling van activiteit (sympaticus) en rust of ontspanning (parasympaticus), is daarvoor heel belangrijk. Die ritmes zijn nauw verwant aan de biologische klok." In een interview op de website maakt Hoenders duidelijk waarom de Integrale Psychiatrie gebruik maakt van niet-reguliere of niet-Westerse technieken. Bovendien heeft hij spannend nieuws uit China. Depressie houdt verband met hyperactief circadiaan-gen Er blijkt een mysterieus verband te bestaan tussen depressie en een verstoring van het circadiaans ritme. Met circadiaans ritme wordt het verschijnsel bedoeld dat bepaalde biologische acties op gezette tijden binnen een etmaal terugkeren. Slapen is het bekendste voorbeeld. Eén specifiek gen voor onze interne klok, zo blijkt uit Amerikaans onderzoek, is bij mensen met een geschiedenis van depressiviteit véél actiever dan bij mensen zonder zo'n verleden. Een dergelijke extra activiteit betekent meestal een verstoring van het normaal ritmische verloop van activiteiten in een etmaal. Slaapproblemen bijvoorbeeld. En slaapproblemen gaan vaak samen met depressie. Geen direct oorzakelijk verband Het mysterieuze aan het gevonden verband is dat het niet direct oorzakelijk is. Er zijn geen aanwijzingen dat het overactieve gen rechtstreeks leidt tot depressie. Evenmin is bewezen dat depressie het gen extra activeert. Het is dus zo goed als zeker een kluit van factoren die samen voor de relatie tussen depressiviteit en hyperactief gen zorgen. Volgens de onderzoekers is het wel verantwoord om te concluderen dat overactiviteit van een circadiaan-gen een aanwijzing is voor depressiviteit. En zo kan de nieuwe kennis, hoe mysterieus het verband ook is, toch praktisch worden gebruikt. Depressie kan zich uiten in tal van heel diverse symptomen. Het lijkt logisch, zo menen de onderzoekers, dat je depressie bij iemand met verhoogde activiteit van het circadiaan gen, het beste behandelt met een circadiane therapie. Wat dat zou kunnen zijn vermelden ze er niet bij. Bron: Gouin JP et al, Altered expression of circadian rhythm genes among individuals with a history of depression, Journal of Affective Disorders, 2010; 126 (1-2) ADHD-kinderen reageerden goed op EPA In een Zweedse studie reageerden ADHD-kinderen opmerkelijk goed op een EPA-rijk visoliesupplement. De kinderen - met 'gecombineerd type 3 ADHD': hyperactief én aandachtsproblemen - presteerden al na vijf weken aanzienlijk beter op het punt van aandacht. De verbetering is gemeten bij ruim een derde tot bijna de helft van de onderzochte groep, afhankelijk van de subgroep. Van de kinderen die goed op de EPA-suppletie reageerden, was vóór ze aan het onderzoek deelnamen een te laag EPA-gehalte in het serum vastgesteld. Na vijftien weken dagelijks 500 mg zuivere ethyl-EPA-suppletie waren de EPA-waarden en de verhouding omega-6/omega-3 optimaal. Het betrof een prospectieve, gerandomiseerde, placebogecontroleerde, dubbelblinde studie, uitgevoerd in acht Zweedse onderzoekscentra. Gustafsson PA, Birberg-Thornberg U, Duchén K, Landgren M, Malmberg K, Pelling H, Strandvik B, Karlsson T. Acta Paediatr 2010 May 19. Bron: FoliaOrhica.nl Op initiatief van de beroepsverenigingen VBAG, NFG en VNT is op 27 oktober 2010 een oprichtingsvergadering gehouden voor een platform dat de voorlopige werknaam ‘Integraal Natuurlijk’ heeft meegekregen. Naast de initiatief nemende verenigingen waren vertegenwoordigers aanwezig van de beroepsverenigingen NVPitea, VNRT, LVNG en BATC, samen goed voor ruim 4.200 leden. Het platform heeft als missie om de integraal natuurlijke gezondheidszorg permanent en onlosmakelijk te integreren in de totale gezondheidszorg. Het platform is overtuigd van de behoefte van de samenleving aan integraal natuurlijke gezondheidszorg, en wil mensen bewust maken van alle keuzemogelijkheden die er zijn op het gebied van ‘andere’ geneeswijzen door middel van informatievoorziening in de breedste zin van het woord. Om aan de groeiende vraag te kunnen voldoen, stelt zij zich tevens ten doel de kwaliteit en de professionaliteit binnen de beroepsgroep te bevorderen. De korte termijn strategie is om met een beperkt aantal verenigingen en een beperkt aantal doelstellingen van start te gaan in dit platform. Deze doelstellingen beperken zich vooralsnog tot interne belangenbehartiging in het kader van de kwaliteitseisen die gesteld moeten worden aan opleidingen, en externe belangenbehartiging als onafhankelijke en neutrale voorlichting aan de consument over het aanbod van integraal natuurlijke gezondheidszorg. Op langere termijn is de doelstelling om actief meerdere verenigingen bij het platform Integraal Natuurlijk te betrekken. De taken en doelstellingen zullen naar behoefte van de aangesloten verenigingen worden uitgebreid. Na enerverende discussies over de wenselijkheid van een platform, de kwaliteit van opleidingen en bij- en nascholing, en het visiteren van elkaars leden zijn concrete afspraken gemaakt. Als voorbereiding op de volgende bijeenkomst wordt een inventarisatie gemaakt van door zorgverzekeraars gestelde eisen aan het opleidingsniveau, en wordt een vragenlijst gemaakt op basis waarvan geïnventariseerd kan gaan worden welke eisen iedere beroepsvereniging zelf wil gaan stellen aan opleidingen en nascholing. Beoogd wordt dat de beroepsverenigingen gezamenlijk zowel beroepsopleidingen als bij- en nascholing gaan accrediteren. Naar aanleiding van deze inventarisaties zal in de volgende bijeenkomst van het platform, begin 2011, gediscussieerd worden over de wenselijkheid van het formuleren van een gezamenlijk beleid hieromtrent. Bron: VNGKplatform.nl Foliumzuur effectief tegen opvliegers? 21/10/2010
Veel vrouwen, die tijdens de overgang last hebben van opvliegers, willen liever geen hormonen slikken vanwege bijkomende gezondheidsrisico's en zoeken daarom naar veilige alternatieven. Opvliegers worden veroorzaakt door verstoringen van het warmteregulatie centrum in de hersenen. Deze verstoringen zijn waarschijnlijk het gevolg van - met daling van de oestrogeenspiegel samenhangende - stijging van de centrale noradrenerge activiteit en daling van de serotonerge activiteit. In wetenschappelijk onderzoek van de laatste decennia is aangetoond dat foliumzuur een antidepressieve activiteit in de hersenen heeft door de afgifte van noradrenaline te remmen (door interactie met noradrenerge α1- and α2-receptoren) en de afgifte van serotonine te stimuleren (door interactie met serotonerge 5-HT1A- en 5-HT2A/2C-receptoren). De onderzoekers veronderstellen dat foliumzuur opvliegers op dezelfde manier kan tegengaan als oestrogeen(substitutie). De uitkomsten van pilot onderzoek in de universiteitskliniek van Alexandrië, Egypte, bevestigen deze hypothese. Vier weken lang namen 46 postmenopauzale vrouwen 5 mg foliumzuur per dag in of een placebo. In de periode van foliumzuursuppletie bemerkte 65% van de vrouwen een (subjectieve) verbetering van opvliegers (aantal, intensiteit) tegenover 16% in de placebogroep. Binnen twee weken na het stoppen met de foliumzuurinname kwamen de opvliegers evenwel in alle hevigheid terug. Suppletie met foliumzuur leidde tot significante daling van de plasmaspiegel van MHPG (methoxy-4-hydroxyfenylglycol), de belangrijkste metaboliet van noradrenaline. In de foliumzuurgroep was sprake van een significante negatieve correlatie tussen klinische verbetering van opvliegers en de plasmaspiegel van MHPG. De onderzoekers pleiten voor vervolgstudies om de effectiviteit en veiligheid van foliumzuursuppletie bij opvliegers nader te onderzoeken en om de optimale foliumzuurdosis vast te stellen. Gaweesh SS, Abdel-Gawad MM, Nagaty AM et al. Folic acid supplementation may cure hot flushes in postmenopausal women: a prospective cohort study. Gynecol Endocrinol. 2010;26(9):658-62. Bron: www.FoliaOrthica.nl Ondanks de veelvuldig uitgesproken tegenstand in het Science and Technology Committee report ‘Evidence Check2: Homeopathy’(1), blijft de Nathional Health Service (NHS) in het Verenigd Koninkrijk homeopathie ondersteunen en vergoeden(2). De Engelse overheid analyseerde onlangs het rapport dat in februari 2010 door het Science & Technology Commite van het Engelse Parlement werd opgemaakt. De overheid verwelkomde het rapport dat tot de conclusie leidde dat homeopathie uit het NHS moest verdwijnen. Ze beslisten echter desondanks dat het aanbieden en vergoeden van homeopathie via de NHS gerechtvaardigd is. ‘Lokale NHS en clinici zijn beter dan de Whitehall (lees: het parlement) in staat om te beslissen welke behandeling geschikt is voor hun patiënten - met inbegrip van aanvullende of alternatieve behandelingen zoals homeopathie - en deze dienovereenkomstig aan te bieden(3).” Deze steunbetuiging van de NHS aan homeopathische en andere complementaire en alternatieve artsen kan gezien worden als een belangrijke mijlpaal in de integratie van dergelijke behandelwijzen in de reguliere geneeskunde. De NHS eindigt zijn reactie op het rapport met: “Wij zijn van mening dat het verstrekken van adequate informatie aan de commissarissen, medici en het publiek en het zorgen voor een sterke ethische code voor clinici de meest effectieve manieren zijn om kwalitatieve resultaten, tevredenheid van de patiënt en het juiste gebruik van NHS- financiering te waarborgen.” Het rapport, dat voornamelijk draaide om het bekritiseren van de effectiviteit van homeopathie, werd ook geanalyseerd door de British Homeopathic Assosiation(4). Zij concludeerden dat het rapport onzorgvuldig was opgemaakt en veelal eenzijdige en negatieve informatie bevatte. Veel positief onderzoek over de effectiviteit van homeopathie was namelijk bewust genegeerd en de conclusies van het rapport bleken ongegrond. Het rapport geeft echter wel terecht aan dat er meer onderzoek nodig is naar de effectiviteit van complementaire en alternatieve geneeswijzen. Referenties
Cijfers liegen niet 26/08/2010
De wereld van complementaire behandelwijzen is een markt van betekenis binnen de gezondheidsmarkt. De laatste cijfers van de Amerikaanse overheid liegen er niet om. Het is een miljardenmarkt die zich steeds sneller ontwikkelt. Eigenlijk is er geen sprake van een markt, omdat een markt fungeert volgens regels en die regels zijn er in veel landen juist niet. Regulering impliceert namelijk erkenning en met die erkenning van complementaire behandelwijzen is het in veel landen, Nederland voorop, droevig gesteld. Cijfers laten wel een beeld zien dat veel mensen gebruik maken van complementaire behandelwijzen. De Amerikaanse overheid houdt elk jaar nauwkeurig bij op welke manier haar burgers ‘derden’ consulteren voor hun gezondheid, welke therapieën ze daarvoor krijgen en hoeveel geld in deze markt omgaat. De overheid kijkt daarbij naar aanbieders van reguliere en complementaire behandelwijzen. Ook wordt in kaart gebracht wat de ervaringen van de gebruikers van complementaire zorgvormen zijn. Zoals blijkt uit het artikel op pagina 27 van het National Health Statistic Report gaven de cijfers over het jaar 2007, gepubliceerd in juli 2009, aan dat Amerikanen, los van eventuele verzekeringsvergoedingen, $33 miljard uitgaven aan complementaire zorgvormen. Omgerekend naar de bevolkingsgrootte geeft elke Amerikaan jaarlijks $118 uit aan complementaire zorg en dat getal stijgt. Beteugeling van de uitgaven Diezelfde Amerikaanse overheid stelt jaarlijks $110 miljoen ter beschikking stelt voor onderzoek naar de effectiviteit van complementaire behandelwijzen. De reden hiervan is dat ook de Amerikaanse overheid zoekt naar oplossingen om de stijgende kosten van de zorg in de hand te houden en door onder andere toepassing van complementaire zorg dit doel hoopt te bereiken. Het gevolg hiervan is dat in diverse gerenommeerde ziekenhuizen aparte afdelingen complementaire zorg een bestaansrecht hebben, niet alleen omdat de zorg meer consumentgericht is maar ook omdat de overheid dergelijke initiatieven stimuleert en reguleert. De Europese overheid zou hier een voorbeeld aan kunnen nemen. Wereldwijd Om wereldwijd een idee te krijgen van de status van complementaire zorg is een enorme opgave. De World Health Organisation (WHO) heeft echter tot taak per land dat inzicht wel te hebben. Een rapport hierover, dat is opgesteld onder auspiciën van dr. Xiaorui Zhang, Acting Coordinator Traditional Medicine WHO, is tot stand gekomen in een periode van tien jaar. Vanaf 1991 zijn dus data verzameld van alle 191 aangesloten landen. Van slechts 123 heeft men uiteindelijk de situatie in kaart kunnen brengen. Van 68 landen waren de data onbruikbaar. Dr. Zhang geeft in zijn inleiding aan dat de steeds veranderende structuren per land het onmogelijk maken het rapport honderd procent up to date te houden. Europa Uit het grote reviewrapport van het WHO worden hier drie landen uitgelicht. Zichtbaar wordt dat per bevolking andere keuzes in complementaire zorgvormen worden gemaakt, dat de wetgeving betreffende de uitoefening compleet anders is, dat vergoedingen per land anders geregeld zijn. In een land als Duitsland passen steeds meer regulier geschoolde artsen, complementaire technieken in hun praktijk toe en daar is integratie al een eind op weg. De beschreven Nederlandse situatie in het rapport is niet meer correct vanwege de grote veranderingen die hebben plaatsgevonden in ons zorgstelsel in de afgelopen negen jaar. Conclusie Wat uit de cijfers over de drie landen direct zichtbaar wordt, is dat de Europese Unie nog veel aandacht zal dienen te besteden aan het op elkaar aanpassen van de diverse lokale wetgevingen, zodat er een uniforme Europese markt voor complementaire zorg ontstaat. Denemarken De meest gebruikte complementaire zorgvormen door de Deense bevolking zijn: voetreflexzonetherapie, acupunctuur, massage, homeopathie, kinesiologie, natuurgeneeskunde en chiropractie. In 1994 werd door middel van een onderzoek vastgesteld dat 33% van de populatie in het voorafgaande jaar ervaring heeft met één of meer complementaire zorgvormen. Vrouwen doen dat vaker dan mannen. Van de gebruikers gaf 77% aan na de behandeling genezen te zijn, 17% had geen baat en 1% gaf aan dat de situatie door de behandeling verslechterd was. Klachten aan het bewegingsapparaat waren de belangrijkste reden om zich te wenden tot complementaire zorgverleners. Twee wetten in Denemarken reguleren de praktische toepassing van complementaire zorgvormen.
Zij mogen bepaalde medische handelingen, die alleen aan artsen zijn voorbehouden, niet uitvoeren. Daaronder vallen onder andere het behandelen van vaataandoeningen, en alle infectieziekten. Zij mogen geen chirurgische ingrepen verrichten, geen verdovende middelen toedienen, geen hulp verlenen bij de bevalling, geen geneesmiddelen voorschrijven en geen elektrische apparaten gebruiken bij de behandeling. Overtreding van deze wet resulteert in een gevangenisstraf van 12 maanden. In de praktijk worden niet-artsen alleen vervolgd als ze producten verkopen die de gezondheid kunnen schaden of als ze door hun handelingen schade aan de gezondheid van de patiënt toebrengen. De strafmaat wordt forser als de patiënt invalide is, niet meerderjarig is, of geestelijk gehandicapt. Chiropractoren hebben sinds 1992 een eigen wettelijke regeling waarbij de chiropractor samenwerkt met de behandelend arts.Recent onderzoek geeft aan dat alle instanties tevreden zijn over de huidige regeling. Deze werkt in de praktijk goed en biedt voldoende veiligheidsgaranties. Frankrijk Homeopathie en fytotherapie zijn dar de meest populaire complementaire behandelwijzen. Andere veel toegepaste complementaire zorgvormen zijn acupunctuur, thalassotherapie, osteopathie en irisdiagnostiek.Uit onderzoek onder reguliere artsen blijkt dat 36% van de artsen complementaire vormen van zorg toepast. Van de deelnemende artsen bleek dat 72,8% af en toe en 27,2% regelmatig complementaire zorg in de praktijk toepast. Huisartsen die dergelijke zorgvormen in de praktijk toepassen hebben een MEP-certificering naast hun artsenregistratie. In 1993 bleek dat 6,2% van de huisartsen een MEP-registratie had. Van deze groep past 30% acupunctuur toe en 20% homeopathie.Van de Fransen heeft 49% ooit in zijn of haar leven gebruik gemaakt van complementaire zorg. Deze zorgvorm is het meest populair in de leeftijdsgroep 35-45 jaar. Van de hoger opgeleide Fransen heeft 68% ooit complementaire zorg omarmd tegenover 60% van het middelmanagement en 40% van de agrariërs. Complementaire zorgverleners worden het meest geraadpleegd bij:
Duitsland Drievierde van het aantal regulier opgeleide artsen gebruikt verschillende complementaire technieken in hun praktijk en in 77% van alle pijnklinieken wordt acupunctuur toegepast. In 1994 werden 13.000 Heilpraktiker (erkende titel voor Duitse natuurgeneeskundige) geregistreerd. De meerderheid hiervan is aangesloten bij een beroepsvereniging. In 1994 werden deze Heilpraktiker 20 miljoen keer bezocht. De meest toegepaste vormen van therapie zijn:
Er is in Duitsland geen monopolie op gezondheidszorg door de reguliere geneeskunde. Niet-artsen mogen geneeskunde uitoefenen. Er zijn echter behandelingen die uitsluitend aan de arts zijn voorbehouden. Dat zijn onder andere behandeling van sexueel overdraagbare ziektes, ziektes die een epidemisch effect kunnen sorteren, het voorschrijven van bepaalde medicaties, het toedienen van verdovende middelen, en gynaecologie.De Heilpraktiker moet een vergunning hebben, een opleiding hebben gevolgd en een staatexamen hebben afgelegd. Een Heilpraktiker moet minimaal 25 jaar oud zijn voor hij/zij mag praktiseren. Er moet een verklaring zijn van een goede gezondheid en er mag geen strafblad zijn. De Heilpraktiker legt in ieder geval examen af in de volgende vakken: fysiologie, anatomie, hygiëne, pathologie, sterilisatietechnieken, desinfecteren, diagnose stellen, kennis van wet en regelgeving. Chiropractoren moeten een heilpraktiker-examen afleggen. Bron: IOCOB Enquete over alternatieve geneeswijzen 22/04/2010
Arts & Auto-enquête over alternatieve geneeswijzen Groot en gevarieerd was de respons op de Arts & Auto-enquête over alternatieve geneeswijzen, die u afgelopen februari op deze website kon invullen. Hier vindt u een verslag van de resultaten en de voorzichtige conclusies. Tekst Paul van der Meer Afgelopen februari kon u via de website van Arts & Auto uitgebreid laten weten wat uw visie op alternatieve geneeswijzen is. Hoezeer dit onderwerp onder medisch en paramedisch professionals leeft, blijkt uit de kwantiteit en de diepgang van de reacties die wij ontvingen. De enquête is beantwoord door niet minder dan 4135 personen, die hierbij uitvoerig gebruikmaakten van de open vragen om hun antwoorden toe te lichten. Hierdoor kunnen wij een goed beeld schetsen van de mening van VvAA leden over alternatieve geneeswijzen. Bij een aantal vragen waren wij benieuwd of de antwoorden van specifiek de groep huisartsen en medisch specialisten gemiddeld afweken van die van de totale groep respondenten, en ook hierover wordt u in dit artikel geïnformeerd. Welke alternatieve geneeswijzen kent u? Allereerst legden wij elf varianten voor van benaderingen die vaak onder ‘alternatieve geneeswijzen’ worden geschaard en vroegen of u die kent of niet. Bijna alle respondenten kennen acupunctuur en homeopathie (beide 99%), het minst bekend zijn Bach-bloesemtherapie en ayurveda (beide 45%). Wat rekent u zelf tot de alternatieve geneeswijzen, en wat niet? Van alle elf benaderingen vroegen wij vervolgens of u die zelf wel of niet zou omschrijven als ‘alternatieve geneeswijze’. Hierbij scoren homeopathie en acupunctuur het hoogst (met 91% en 84%), en osteopathie en chiropraxie het laagst (met 73% en 62%). Wat vindt u van alternatieve geneeswijzen? Werken alternatieve geneeswijzen? was de strekking van een volgende vraag, waarbij respondenten konden kiezen uit zes verschillende stellingen. 5% van de respondenten vindt zonder meer dat alternatieve geneeswijzen niet werken, en 9% meent dat ze zelfs schadelijk kunnen zijn. 33% meent dat als alternatieve geneeswijzen al iets doen, dit op psychisch niveau gebeurt, via een placebo-effect. 18% vindt dat ze wel werken bij sommige aandoeningen, maar dan minder goed dan de reguliere geneeswijze. 33% vindt dat ze bij sommige aandoeningen even goed werken als de reguliere geneeswijzen, en 2% meent dat dit bij alle aandoeningen het geval is. Kijken we alleen naar de groep van medisch specialisten en huisartsen, dan zien we een gemiddeld sceptischer visie. Van hen vindt 8% zonder meer dat alternatieve geneeswijzen niet werken, en 14% dat ze zelfs schadelijk kunnen zijn. 43% vindt dat ze alleen via het placebo-effect werken. Meer concreet presenteerden we de volgende stelling: Alternatieve geneeswijzen zijn een vorm van placebotherapie. Bijna de helft van alle respondenten (47%) is het daarmee eens, een derde (33%) is het ermee oneens en de rest neemt een middenpositie in. Onder medisch specialisten en huisartsen is 60% het met deze stelling eens en 21% oneens. Wat is de toegevoegde waarde? Vindt u dat alternatieve geneeswijzen toegevoegde waarde hebben in vergelijking met reguliere geneeskunde? was een volgende vraag. Een meerderheid (58%) vindt van wel (specialisten en huisartsen: 55%), en 42% vindt van niet. Op de vraag naar een verklaring voor die toegevoegde waarde, wordt een aantal factoren door meerdere respondenten genoemd. Alternatieve geneeswijzen hebben ‘méér aandacht voor de patiënt’, en gaan uit van een ‘holistische aanpak’, waarbij ‘de patiënt centraal’ staat. Een fysiotherapeut licht toe: “Er wordt gekeken met een holistische visie en niet alleen gefocust op het probleem. Het komt altijd ergens vandaan dat iemand met een probleem rondloopt, of dit nou op fysiek, mentaal, psychisch of spiritueel gebied is. Je kunt die delen niet uit elkaar trekken.” Een andere veelgehoord argument voor de stelling dat alternatieve geneeswijzen toegevoegde waarde hebben, is dat die méér aandacht hebben voor preventie, terwijl de reguliere geneeskunde meer gericht is op genezen. Maar ook het placebo-effect wordt in dit verband door veel respondenten genoemd. Overigens plaatsen veel respondenten bij deze vraag de opmerking dat de term ‘alternatief’ onjuist is, omdat alternatieve geneeswijzen juist ‘toegevoegde’ waarden hebben. Zij vinden dat daarom beter gesproken kan worden van bijvoorbeeld ‘additieve’ of ‘complementaire’ geneeswijzen. Worden er te hoge verwachtingen gewekt? Tweederde van de respondenten (67%) vindt wel dat de verwachtingen die worden gewekt door de alternatieve-geneeswijzenindustrie zelf, te hooggespannen zijn en een verkeerd beeld geven van de genezingseffecten. Maar moeten daarom sommige van die producten of behandelingen ook verboden worden? Ja, vindt 44%, tegen 23% die geen van die producten of behandelingen wil verbieden, terwijl 33% een tussenpositie inneemt. Onder huisartsen en medisch specialisten vindt 53% dat sommige producten verboden moeten worden. Op de vraag wélke toepassingen dan verboden moeten worden, noemt een deel van de respondenten één of sommige van de elf in dit onderzoek opgenomen varianten, een ander deel wil álles verbieden. Een apotheker schrijft: “Alle hier genoemde methoden zouden verboden moeten worden, het zijn namelijk geen ‘genees’-wijzen.” Verder worden toepassingen genoemd als voodoo, kruidentherapieën, healing, Jomanda-achtige genezers, iriscopie, kleurentherapie en magnetisme. En verder alles wat schadelijk of gevaarlijk kan zijn, alles waarbij geen gedegen onderzoek is gedaan, gebedsgenezers en alles wat ingestraald is, toepassingen die de reguliere geneeswijzen hinderen, alles dat kanker zegt te kunnen genezen, zware-metalenhoudende medicijnen, Sint Janskruid, en het kraken van huilbabies. Past u het toe in uw eigen praktijk? Precies 20% van de respondenten past één of meerdere alternatieve geneeswijzen toe in de eigen praktijk. Dit in de zin van ‘alternatieve’ behandelingen, en/of het voorschrijven of verkopen van alternatieve producten en middelen. We zien dit het meest onder fysiotherapeuten en apothekers (beide 34%), gevolgd door dierenartsen (30%) en overige (para) medische beroepen (32%). En we zien dit het minst bij artsen in opleiding (4%) en medisch specialisten (8%). Bij huisartsen en tandartsen is dit percentage respectievelijk 22 en 13. Zij die aangeven zelf alternatieve geneeswijzen toe te passen, noemen het meest: homeopathie, acupunctuur, en fytotherapie/kruidengeneeskunde. We vroegen diezelfde groep ook naar hun eigen ervaringen met dit toepassen van alternatieve geneeswijzen. In ongeveer 85% van de reacties komen woorden voor als: (zeer) goed, positief, werkzaam, uitstekend, gunstig, zonder bijwerkingen, effectief, prima, en goede resultaten. Ongeveer 15% geeft aan wisselende resultaten te boeken. Anders dan sommigen misschien zouden verwachten, zijn het niet primair jongere zorgprofessionals die in hun praktijk alternatieve geneeswijzen toepassen. De gemiddelde leeftijd van zij die dit doen, is met 51 jaar hoger dan die van respondenten die dit niet doen (47 jaar). Aandacht in de opleiding In de (reguliere) opleidingen van zorgprofessionals blijkt weinig tot geen aandacht te zijn besteed aan alternatieve geneeswijzen. Van alle respondenten heeft 46% daarover geen enkele informatie gekregen, 50% kreeg enige informatie en 4% veel informatie. Vooral oudere respondenten geven aan weinig tot geen informatie te hebben gekregen. Maar wat vindt u dat toekomstige opleidingsprogramma’s op dit punt zouden moeten bieden? Van alle respondenten vindt 40% dat méér aandacht besteed moet worden aan alternatieve geneeswijzen, 10% wil juist minder aandacht en 7% vindt dat hier geen enkele aandacht aan besteed moet worden. Maar de grootste groep (43%) is tevreden met de aandacht die hier nu aan wordt besteed. Wat moet bij de opleiding het uitgangspunt zijn? De grootste groep respondenten (30%) vindt dat er tijdens de reguliere opleiding wel aandacht voor alternatieve geneeswijzen moet zijn, maar niet té veel. En 26% vindt dat die in voldoende mate onderwezen moeten worden, opdat iedere regulier afgestudeerde de basisprincipes kent. 22% vindt dat de studie een reëel beeld moet geven, zodat studenten een gefundeerde keuze kunnen maken. En ook 22% vindt ieder uur dat hieraan wordt besteed, verloren tijd. Zij die méér aandacht wenselijk vinden, noemen hierbij vooral acupunctuur, homeopathie en chiropraxie; het minst genoemd worden reiki, regressietherapie en Bach-bloesemtherapie. Verenigingen ‘voor’ en ‘tegen’ Van alle respondenten blijkt 12% aangesloten bij een vereniging van alternatieve-beroepsbeoefenaars. De hierbij meest genoemde verenigingen zijn:
Gevraagd of men de uitgangspunten van de VtdK onderschrijft, antwoordt 21% ‘ja, volledig’, en 30% ‘ja’. Nog eens 29% antwoordt ‘deels wel en deels niet’, en 20% antwoordt ‘nee’. Bij huisartsen en specialisten zijn de antwoorden: 29% ‘ja, volledig’, en 33% ‘ja’. Zij die het (volledig) eens zijn met de VtdK, geven hierbij argumenten als: “Behandelingen moeten volgens de regels getoetst worden. Niet werkzame middelen geven is oplichting.” “Ik ben voorstander van een totale ontmaskering van de alternatieve geneeswijzen.” “Alternatieve geneeswijzen werken niet, anders waren ze allang opgenomen binnen de reguliere geneeskunde.” Veel genoemd wordt het criterium van toetsbaarheid. “De reguliere geneeskunde stelt zich toetsbaar op en wordt daar ook op afgerekend. De alternatieve toepassingen zijn – voor zover mij bekend – niet toetsbaar”, schrijft een apotheker. En een arts in opleiding schrijft: “Het probleem is dat iemand die níet medisch onderlegd is, niet weet wat hij/zij een patiënt onthoudt uit het reguliere circuit en dat kan weleens heel gevaarlijk zijn.” Zij die het niet eens zijn met de uitgangspunten van de VtdK, wijzen vooral op wat zij zien als de kortzichtigheden en het gesloten karakter van de vereniging. Een huisarts: “Het standpunt van de VtdK is te kortzichtig en beperkt. Het zou beter zijn als regulier en alternatief náást elkaar werken en niet tegen elkaar. Respect voor elkaars ziens- en werkwijze is een eerste stap, en er is absoluut geen discussie mogelijk met deze club.” Maar ook inhoudelijke argumenten worden genoemd om duidelijk te maken waarom men het niet eens is met de VtdK. Een medisch specialist: “Heel veel reguliere geneeskunde is ook niet evidence based, en dát wordt dan weer niet kwakzalverij genoemd.” Welke alternatieve geneeswijzen hebben daadwerkelijk effect? Wij stelden ook de volgende vraag: Wilt u hieronder aangeven in hoeverre onderstaande behandelmethoden volgens u daadwerkelijk effect sorteren? U kunt dit doen met een cijfer van 0 tot 100, waarbij 0 betekent dat de behandelmethode geen enkel effect sorteert en 100 dat deze methode in 100% van de gevallen het gewenste effect sorteert. Als referentie is hierbij een aantal behandelmethoden opgenomen uit de reguliere geneeskunde. Over deze vraag maakte ongeveer 1,5% van alle respondenten een opmerking, en ongeveer 1% gaf expliciet aan dat ze deze vraag niet konden beantwoorden. Een huisarts schreef: “Ik kan en wil vraag 21 niet invullen omdat er niet bij staat voor welke kwaal de behandeling geldt.” Uit de antwoorden van de respondenten die deze vraag wél invulden, krijgen de methoden uit de reguliere geneeskunde die als referentie waren opgenomen de hoogste score: alle boven de 60%. Alle alternatieve geneeswijzen scoren een effect van 36% of lager. We zagen eerder dat 20% van de respondenten alternatieve geneeswijzen toepast in hun eigen praktijk. Deze groep geeft een significant hoger effectpercentage bij de alternatieve geneeswijzen dan zij die zelf geen alternatieve geneeswijzen toepassen. Deze verschillen zijn groot, tot een factor twee à drie. De verschillen tussen beide groepen bij de beoordeelde effectgroottes van de als referentie opgenomen reguliere geneeswijzen, zijn daarentegen niet significant. Doorverwijzen naar de homeopaat? Aan alléén huisartsen en medisch specialisten vroegen wij: Heeft u zelf weleens een patiënt die door u uitbehandeld en/of uit gediagnosticeerd is, actief doorverwezen naar het alternatieve circuit, of heeft u suggesties gegeven op dat gebied? Het merendeel (65%) antwoordt dit nog nooit te hebben gedaan, en bij 25% is dit ‘weleens’ voorgekomen. Bij 10% gebeurde dit ‘meerdere keren’, gemiddeld meer dan 50 keer. Doorverwijzen gaat op verschillende manieren. In het ene geval geeft de arts een telefoonnummer, in andere gevallen betreft het een normale doorverwijzing naar een gespecialiseerde collega, en in weer ander gevallen doet de arts de alternatieve behandeling zelf. Over het algemeen is men tevreden over de resultaten. En als een patiënt er zelf om vraagt? Hoe gaat u om met patiënten die zelf alternatieve geneeswijzen willen aanwenden of uitproberen? Slechts 3% van alle respondenten zou dit dan ten sterkste afraden. Iets meer dan de helft (52%) zou zeggen dat het niet zijn/haar vakgebied is, maar dat dit de keuze van de patiënt zelf is, en nog eens 23% zou de patiënt waarschuwen dat er veel kaf tussen het koren zit. De rest helpt actief: 15% geeft telefoonnummers, 7% schrijft actief alternatieve geneeswijzen voor. Bij medisch specialisten en huisartsen wijkt dit niet veel af: 4% zou het ten sterkste afraden, 9% geeft telefoonnummers en 5% schrijft actief voor. Gebruikt ú alternatieve geneeswijzen? Van alle respondenten maakt 40% zelf privé weleens gebruik van alternatieve geneeswijzen (bij medisch specialisten en huisartsen 24%). Alle elf in dit onderzoek genoemde toepassingen worden genoemd. Het meest: homeopathie, acupunctuur en orthomoleculaire geneeskunde. Daarbuiten worden ook nog genoemd: antroposofische geneeskunst, rebalancing, probiotica, aromatherapie, shiatsu, (Chinese) massage, bioresonantietherapie, haptotherapie, bio-informatietherapie, haptonomie, neuraal therapie, cranio-sacraaltherapie, mesotherapie, manuele therapie, het gebruik van een magnetiseur. Bij 33% gebruiken ook gezinsleden dit soort middelen en methoden. Over het algemeen is men tevreden over het resultaat. En als u zelf uitbehandeld en/of uitgediagnosticeerd bent… … zou u dan gebruikmaken van alternatieve geneeswijzen? Nooit, zegt 29% van alle respondenten, en 42% twijfelt. 19% zal in die situatie wél gebruikmaken van alternatieve geneeswijzen, en de resterende 10% zegt dat ze dit ook nu doen en dit in die situatie ook zullen doen. Bij medisch specialisten en huisartsen ligt het aandeel ‘nooit’-zeggers aanmerkelijk hoger, namelijk op 46%. 39% twijfelt. Wat moeten zorgverzekeraars vergoeden? 42% van alle respondenten vindt dat zorgverzekeraars het gebruik van sommige typen alternatieve geneeswijzen moeten vergoeden, en precies evenveel vindt juist van niet. De rest neemt een middenpositie in. Onder huisartsen en specialisten vindt 60% dat het gebruik van sommige alternatieve geneeswijzen niet moet worden vergoed. De toepassingen die het meest worden genoemd als in aanmerking komend voor vergoeding zijn, in volgorde: acupunctuur, homeopathie, osteopathie en chiropraxie. De overige zeven van de elf in dit onderzoek opgenomen toepassingen worden in mindere mate genoemd. Buiten die elf worden ook nog genoemd, door een enkele respondent: mesotherapie, yoga, neurofeedback, haptonomie, acupressuur, manuele therapie, bio-informatietherapie, antroposofi sche geneeskunde, neuraaltherapie en aura healing. Een klein deel van alle respondenten wil dat alle toepassingen uit de alternatieve geneeswijzen vergoed worden. En wat vinden de studenten? Wat studenten vinden over alternatieve geneeswijzen verschilt nauwelijks van de mening van afgestudeerde zorgprofessionals. Studenten blijken wat minder op de hoogte van het bestaan van enkele van de in dit onderzoek opgenomen toepassingen, namelijk regressietherapie of reïncarnatietherapie, orthomoleculaire geneeskunde en Bach-bloesemtherapie. En studenten zijn minder vertrouwd met de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Van alle afgestudeerde/werkzame respondenten kent 92% de VtdK, binnen de studentengroep is dit 67%. En terwijl 6% van de werkende respondenten bij de VtdK is aangesloten, is dit bij studenten 2%. Uw mening over alternatief praktiserende collega’s Aan de 80% respondenten die zelf géén alternatieve geneeswijzen praktiseren of alternatieve middelen verkopen, vroegen wij wat ze vinden van regulier opgeleide collega’s die dit wél doen. De grootste groep (45%) vindt dit geen probleem en geeft aan dat iedereen dat voor zichzelf moet weten. Iets meer dan een derde (36%)vindt dit ongepast, en zegt dat deze twee werelden gescheiden moeten blijven. 2% heeft hier geen mening over, en 16% heeft een andere mening. Maar ook binnen die laatste groep staan verreweg de meesten positief tegenover collega’s die wél alternatieve geneeswijzen praktiseren. In opmerkingen die bij deze vraag gemaakt worden, wordt gezegd dat de patiënt moet weten waar de behandelaar voor staat, maar wel zélf moet kunnen kiezen. Anderen benadrukken het aanvullende en complementaire karakter, en het belang van het niet laten prevaleren van alternatieve toepassingen boven de reguliere. Een huisarts schrijft: “Zolang de reguliere geneeskunde niet uit het oog verloren wordt en de patiënt er positieve effecten van ondervindt, is een ieder vrij alternatieve geneeswijzen toe te passen.” Gevraagd naar de verkoop door apothekers van ‘alternatieve producten’ (zoals homeopathische), blijkt 25% van de respondenten van mening dat apothekers dit niet zouden mogen doen, en twijfelt 15% hierover. 44% heeft er geen probleem mee, en 17% vindt het juist goed dat apothekers ook alternatieve producten in de schappen hebben staan. Tot slot: wat brengt de toekomst? Wij vroegen ook: Zal het gebruik van alternatieve geneeswijzen in de toekomst af- of juist toenemen? De meerderheid van de respondenten (53%) verwacht dat het gebruik gaat toenemen, en 39% verwacht geen veranderingen. Slechts 8% verwacht een afname. Over deze enquête Het online onderzoek voor deze enquête werd gehouden in week 5, 6 en 7 van dit jaar, onder lezers van Arts & Auto c.q. leden van VvAA. In totaal vulden 4135 respondenten, van wie 59% man, de vragenlijst helemaal in. De gemiddelde leeftijd is 48 jaar, 14% is nog student. De resultaten van de respondenten zijn teruggewogen naar de bestaande verdeling tussen beroepsgroepen binnen de huidige ledenkring van VvAA. Gezien ook de (hoge) absolute aantallen respondenten, komt hieruit een representatief beeld naar voren van de visie op alternatieve geneeswijzen onder VvAA leden, maar kunnen ook per afzonderlijke beroepsgroep representatieve resultaten worden weergegeven. Zo is bij een aantal vragen de respons door de groep van ‘huisartsen en medisch specialisten’ afzonderlijk vermeld. De steekproef zoals die na terugweging resulteert, bestaat uit: apothekers (2%), fysiotherapeuten (11%), medisch specialisten (21%), huisartsen (15%), tandartsen (11%), dierenartsen (4%), artsen in opleiding (11%) en andere (para)medische beroepen (24%). Tot die laatstgenoemde categorie behoren onder meer verloskundigen, psychotherapeuten, mondhygiënisten, bedrijfsartsen, artsen voor homeopathie en logopedisten. 19% van de respondenten heeft een hbo-opleiding, 71% heeft wetenschappelijk onderwijs gevolgd en 10% is gepromoveerd. Het onderzoek is uitgevoerd, en dit artikel is geschreven, door Paul van der Meer, psycholoog en directeur/eigenaar van onderzoeksbureau TeraKnowledge. Onderzoeksverantwoording De online Arts & Auto enquête over alternatieve geneeswijzen van februari 2010 is door 4.135 respondenten beantwoord. De leden zijn op drie manieren benaderd om mee te doen aan de enquête. In het februarinummer van het Arts & Auto magazine is een oproep geplaatst en in dezelfde periode (gedurende het februarinummer) heeft een oproep gestaan op de website van Arts & Auto. Daarbuiten is een oproep verstuurd via de digitale nieuwsbrief van de VvAA. De nieuwsbrief is verstuurd naar circa 27.000 e-mailadressen. Bron: Arts & Auto ![]() In de week dat artsen, homeopathie hebben afgedaan als nonsens, heeft een Nobelprijswinnaar in de wetenschap een ontdekking gedaan over de aard van water dat aanduidt dat de therapie inderdaad een op wetenschappelijk gebaseerde methode is. Professor Luc Montagnier, een Franse viroloog, die de Nobelprijs heeft gewonnen voor het ontdekken van een link tussen HIV en AIDS, heeft mede Nobelprijswinnaars geschokt door hen te vertellen dat water een geheugen heeft dat zelfs voortzet na vele malen van verdunning. Het idee is een van de fundamenten van homeopathie, welke zegt dat de kracht van een substantie wordt versterkt door verdunning (potentiëren). Montagnier heeft ontdekt dat de oplossing, die DNA van virussen en bacteriën bevat, "lage radiogolven kunnen uitzenden". Deze golven beïnvloeden moleculen rondom hen, en veranderen deze in georganiseerde structuren. Op hun beurt, kunnen deze moleculen dan ook weer golven uitzenden. Montagnier heeft ontdekt dat de golven in het water blijven, zelfs nadat het vele malen is verdund. Met dank aan WWDTY Lees ook: Luc Montagnier Foundation proves homeopathy works en Research on homeopathy http://avilian.co.uk/2009/09/luc-montagnier-foundation-proves-homeopathy-works/ | Archief nieuwsberichtenJuni 2011 |



RSS Feed